Translate

donderdag 23 oktober 2014

Over: opbouw van rijkdom

In de zomer van 2012 raakte ik op een feestje aan de praat met Nico (1948). Hij was gemeenteambtenaar geweest en was sinds kort met pensioen. Zijn vrouw en hij hadden een fantastische, van alle gemakken voorziene caravan en daarmee gingen ze twee keer per jaar op vakantie. In de zomer vier weken naar de zon, in de winter vier weken op wintersport. Tussendoor maakten ze stedentrips: ze waren al naar Barcelona, Berlijn en Praag geweest en er stonden nog meer grote Europese steden op het programma.


We kregen het over de pensioenperikelen die die zomer volop in de belangstelling stonden. Het woord pensioenkorting was nog niet gevallen, of de opgewekte man naast me veranderde in één brok woede. Hij had veertig jaar premie betaald, maar door grepen uit de kas door de overheid, mismanagement bij het abp en nu de kredietcrisis hing hem een korting boven het hoofd. Briesend: ‘Het is ons al die jaren beloofd dat ons pensioen welvaartsvast zou zijn.’ ‘Dat is zo, Nico,’ zei ik, ‘maar had jij je veertig jaar geleden kunnen indenken, dat de welvaart zo zou toenemen, dat je twee maanden per jaar met vakantie kunt gaan?’
Even viel Nico stil. ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘toen ik in militaire dienst ging, was ik nog nooit met vakantie geweest. Dat wil zeggen: mijn vader huurde één dag per jaar een auto. Dat was onze hele vakantie.’

Wat met Nico is gebeurd, hebben alle Nederlanders meegemaakt: we zijn rijker geworden dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden. Daar staan we lang niet altijd bij stil. Want weelde went. En al helemaal wanneer het geleidelijk is gegaan en we het jarenlang stapje voor stapje steeds beter hebben gekregen. Dan dreigen we te vergeten hoe goed we het in feite hebben. Dat we dat vergeten, komt ongetwijfeld ook omdat we, wanneer we naar alle economendiscussies luisteren, het idee krijgen dat Nederland al jaren tegenslag na tegenslag heeft moeten incasseren en dat we bij wijze van spreken al blij mogen zijn dat er volgend jaar nog voldoende te eten is. Maar wanneer we ons losmaken van de actuele discussies en van een afstandje naar de wereld om ons heen kijken, beseffen we in welke weelde we leven en zien we dat ons leven compleet anders is geworden dan dat van onze ouders en grootouders.

Dat besef drong ook tot mij laat door. Ik heb me, eerst als student economie en later als economisch journalist bij onder meer de Volkskrant en Elsevier, vaak druk gemaakt over problemen als inflatie, baanverlies, hoge arbeidskosten, oplopende overheidsuitgaven, de gevolgen van automatisering en globalisering, vergrijzing et cetera. Want zoals een komiek grappen maakt, zo maakt een econoom zich zorgen. Als geen andere beroepsgroep zien economen dat er in de toekomst gevaren dreigen waarop de maatschappij zich nu al moet voorbereiden.

Maar door continu te kijken naar een toekomst vol onheil, hebben we nauwelijks oog voor wat er in het verleden aan rijkdom is opgebouwd.

==============

Citaat uit: Gouden jaren, het schitterende door Annegreet van Bergen (econoom en journalist) geschreven boek, waarin het verhaal wordt verteld van de ongekende naoorlogse groei die ons leven op alle fronten heeft veranderd. (352 pagina's, uitgeverij Atlas Contact, verschenen: september 2014, prijs: € 19,90)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Geef uw reactie! Alle reacties worden na een beoordeling geplaatst.